Kleuterharmoniek
- het jonge kind in balans -

Sensorische modulatiestoornis

Hebben we het over sensorische modulatiestoornissen dan hebben we het over het wel of niet reageren op prikkels. Het is een probleem dat plaatsvindt in het centrale zenuwstelsel van het kind. De input van de prikkel moet namelijk synchroon verlopen met de output, de beweging (Kranowitz, 2020). Bij een sensorische modulatiestoornis verloopt dit niet synchroon, het kind kan dan te fel reageren op een prikkel of krijgt de prikkel niet (voldoende) binnen.

Sensorische modulatiestoornissen kunnen we onderverdelen in verschillende categorieën. Het overprikkelde en het onderprikkelde kind, de prikkelzoeker en het kind met een combinatie van de driegenoemde (Kranowitz, 2020). Hieronder worden alle categorieën kort omschreven.

 





Foto door Caleb Woods van Unsplash






Onderprikkeld / Hyporeactief

Bij een hyporeactief, onderprikkeld, kind komen juist te weinig prikkels binnen. Het kind heeft dan meer prikkels dan normaal nodig om tot actie te komen. Deze kinderen missen vaak prikkels uit hun omgeving (Kranowitz, 2020).
Ook het onderprikkelde kind lukt het dan niet meer om naar je te luisteren, te kijken, om iets te doen of iets te onthouden. Deze kinderen missen juist weer vaak de non-verbale signalen uit hun omgeving en hebben een vertraagde actieve reactie (Kinnealey & Miller, 1993).
We zien dan een kind dat in zijn eigen wereldje zit, vaak moe is of bijvoorbeeld traag reageert op een vraag. Het kind kan daardoor minder betrokken overkomen.
Het onderprikkelde kind kan ook overkomen als onhandig. Het kind stoot bijvoorbeeld vaak tegen een tafel of struikelt over iets wat op de grond ligt.
Het kind heeft vaak weinig vrienden, omdat het kind geen of niet voldoende actie onderneemt in het aangaan van sociale interacties.
Er kan sprake zijn van een lagere spierspanning.



Foto door Olivia Bauso van Unsplash





De sensorische combinatie

Bij kinderen die van overprikkeld naar onderprikkeld gaan en andersom spreken we van een sensorische combinatie. Dit kind is moeilijk te peilen in hoe je hulp kan bieden. De ene dag vindt het kind de prikkel leuk, de volgende dag wil het kind er niets van hebben. Bij een combinatie zien we bijvoorbeeld ook dat een kind zich thuis goed kan reguleren, maar op school niet.
Vooral voor het kind zelf is het heel moeilijk, het ene moment voelt het kind zich veilig het andere moment voelt het kind zich angstig en lijkt geen grip te hebben op de wereld om haar heen. (Kranowitz, 2020).

Overprikkeld / Hyperreactief
Bij het hyperreactieve, overprikkelde, kind komen alle prikkels binnen. In de hersenen kunnen de prikkels niet voldoende afgeremd worden, waardoor er op alle prikkels een actie volgt (Kranowitz, 2020). De hersenen registreren elke prikkel als zijnde "gevaar" .
Het kind lukt het dan niet meer om naar je te luisteren, te kijken, om iets te doen of iets te onthouden. Er kan ook overreageren op non-verbale signalen (Kinnealey & Miller, 1993).

We zien dan bijvoorbeeld een kind dat dwars kan zijn of vaak ruzie heeft. Het overprikkelde kind kan ook juist proberen te vluchten door weg te rennen van de situatie.
Een kind kan echter ook helemaal bevriezen en totaal niet meer bewegen.
Het kind kan angstig zijn en kan bijvoorbeeld snel huilerig zijn bij spannende situaties.
Het kind kan snel afgeleid zijn en zich daardoor niet goed kunnen concentreren.








Foto door Rodolfo Sanches Carvalho van Unsplash










De prikkelzoeker

Dit kind krijgt geen genoeg van prikkels! Constant is het kind op zoek naar nieuwe prikkels, vooral via beweging. Hoger, gekker en meer van alles. Het kind zoekt de prikkels op, maar hoeft dit helemaal niet te ervaren als "leuk".
De hersenen zet het kind steeds tot handelen aan, alleen gebeurt dit nogal chaotisch (Kranowitz, 2020).
De prikkelzoeker is sneller afgeleid en impulsief. Het kind komt hierdoor druk over en wordt vaak gezien als lastig. Door zijn impulsiviteit kunnen er ook gevaarlijke situaties ontstaan.
Het kind kan zich niet goed focussen op een taak. Vaak zijn ze zo snel afgeleid dat ze ook niet goed luisteren naar anderen.



Foto door Jackson Simmer van Unsplash


Overeenkomsten

Bovenstaande categorieën hebben een aantal dingen gemeen. Deze kinderen lukt het door hun te veel of te weinig aan prikkels niet meer om naar iemand te luisteren, naar iemand te kijken, om tot actie te komen of om iets te onthouden. Oftewel ze komen niet voldoende tot ontwikkeling en uiteindelijk niet tot leren. Een andere overeenkomst is dat over- en onderprikkelde kinderen moeite hebben met sociale interacties (Kinnealey & Miller, 1993). Een niet goed ontwikkelde sensorische integratie heeft invloed op alle ontwikkelingsgebieden van het kind met alle gevolgen van dien in de latere levensfasen.